Archief: ‘Boeken’

Wie ontketende de vechthonden?

3 juli 2008

Onthutsende blik op de Amerikaanse wandaden in Abu Ghraib-gevangenis

door Linda Polman

De Amerikaanse journalist Philip Gourevitch vertelt hoe en waarom de Amerikanen in de War on Terror overgingen tot marteling. Gruwelijke verhalen van de werkvloer die Abu Ghraib heet.
De foto’s van mishandelde en vernederde gevangenen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib troffen in april 2004 de publieke opinie als een mokerslag. Maar we hadden ze twee jaar eerder al kunnen zien aankomen. In de lente van 2002 besloot president George W. Bush dat leden van Al-Qaeda in Amerikaanse militaire detentie geen aanspraak meer kunnen maken op bescherming door de Conventies van Genève. Zelfs Artikel 3, de meest basale van alle gedragsregels in oorlogen, waarin het recht van elk mens op een menswaardige behandeling verankerd is, werd opgeschort. Al-Qaeda had New York aangevallen en Amerikanen onthoofd. Voor een vijand zo vuig en eerloos, achtte Amerika ‘Genève’ te goed.

Artikel 3 geldt als een pijler van de beschaving. ‘Ontketen vechthonden en ze stormen op hun prooi af om die in stukken te scheuren,’ rilde een hoge militair in Washington toen hij hoorde van het uitzonderingsbesluit. Een glimp van wat er kan gebeuren als je militairen in oorlog ontslaat van de plicht de eigen eer en die van de tegenstander te bewaken, zagen we op de foto’s uit Abu Ghraib.
De Amerikaanse filmmaker Errol Morris zette honderden uren gesprek op tape met twintig militairen van de Amerikaanse eenheid die in maart 2003 naar de Abu Ghraib-gevangenis bij Bagdad gezonden werd. Zijn documentaire kreeg afgelopen februari tijdens het filmfestival van Berlijn een Zilveren Beer. Standard Operating Procedure heet de film, net als het boek waarvoor journalist Philip Gourevitch, ook Amerikaan, de interviews bewerkte. Gourevitch voorzag de verhalen van context met onder meer archiefmateriaal dat hij losprocedeerde van het Pentagon en brieven van de militairen naar huis.
Gourevitch, redacteur van The Paris Review, schreef eerder het bekroonde boek We Wish To Inform You That Tomorrow We Will Be Killed With Our Families over de genocide in Rwanda in 1994.
De geïnterviewde militairen lieten een verdachte urenlang staan met een puntmuts op zijn hoofd en elektriciteitsdraden aan zijn vingers en geslachtsdelen, ketenden een van angst bijna waanzinnige man vast met zijn keel op centimeters afstand van de blikkerende tanden van een ziedende hond en lieten zichzelf steeds lachend en met opgestoken duimen naast hun slachtoffers fotograferen. De beelden werden de iconen van de Iraakse oorlog. Gourevitch en Morris laten ze in het boek opzettelijk niet nog een keer zien, omdat, leggen ze uit, omdat het verhaal in boek en film breder is dan alleen dat van die Amerikaanse soldaten. Lezers zien Gourevitch, toch vooral de vertolker, nu en dan plots boven de soldatenhoofden voorbij zweven, het drama op de grond bespiegelend met hier een citaat van Sartre en daar een scène uit Othello. Het zij hem vergeven: het belang van de inhoud van dit boek overstijgt verre eventuele schoonheidsfoutjes.

Het besluit om Genève voor Al-Qaeda op te schorten werd de regering-Bush ingegeven door de obstakels in de War on Terror bij het verzamelen van militaire inlichtingen. Leden van Al-Qaeda bewaren alle informatie, over volgende terroristische aanslagen bijvoorbeeld, in hun hoofd. In Amerikaanse verhoorcentra moeten antwoorden uit die hoofden gewrongen, geperst en geslagen worden. Guantánamo op Cuba was het eerst bekende verhoorcentrum; Abu Ghraib in Irak het grootste. Na de val van Saddam werden honderden gevangenen per dag in Amerikaanse vrachtwagens binnengereden.

Van de finesses van het internationale oorlogsrecht hoeft de gemiddelde militair geen verstand te hebben. Als er iets is, hoort hij het wel van ‘boven’. Dat Irak niets met Al-Qaeda te maken had en dat de Iraakse gevangenen in Abu Ghraib dus eigenlijk gewoon onder ‘Genève’ hadden moeten vallen, was op de werkvloer van de soldaten geen onderwerp. Hun orders waren dezelfde als die voor hun collega’s in Guantánamo: ‘Maximaliseer de inlichtingenproductie’. On the double, want de veiligheid van de natie was in het geding. Vernederende, wrede verhoren en zwaargewonde en doodgeslagen gevangenen, niemand weet hoeveel, waren de gevolgen.

Dat militairen bij gebrek aan sturing uitgaan van de gedachte dat orders voor de collega’s verderop ook voor hen zullen gelden, is niet onlogisch. Je vecht tenslotte in dezelfde oorlog. De verwarring over wat wel en niet mag, ging van Guantánamo, via Irak en Afghanistan (waar gevangenissen nog steeds uitpuilen met tienduizenden verdachten) tot helemaal naar Den Haag. In juni 2007 bevestigde de Commissie Van den Berg, ingesteld door de minister van Defensie, dat Nederlandse militairen tekeer zijn gegaan met water en lawaai om Iraakse gevangenen psychisch te vermurwen. Maar marteling mocht het volgens de commissie niet heten. Van ‘vernederende behandeling’ was ‘mogelijk’ wel sprake geweest. Maar dat was kennelijk niet strafbaar. In Londen werd vorig jaar een Britse militair veroordeeld voor het tijdens het verhoor doodslaan van een Afghaanse gevangene.

Tijdens de rechtszaak schetsten Britse militairen hoe eenheden in de coalitie in de War on Terror, uit 40 verschillende landen, hun militaire bases en inlichtingen delen. Coalitielid Groot-Brittannië heeft de intentie zich ook als het om Al-Qaeda gaat aan Genève te houden, maar Britse commandanten hadden zich door toevallig op de basis rondlopende Amerikaanse militaire juristen even laten bijpraten over verhoorreglementen. Dat de adviezen die ze kregen niet met Genève spoorden, was ze niet direct opgevallen. Sinds 11 september 2001 werden al ten minste 80.000 verdachte terroristen ‘door het systeem gehaald’.

Voor 270 gevangenen in Guantánamo, van wie een aantal al zes jaar vastzit, gloort hoop. Op 12 juni bepaalden Amerikaanse opperrechters dat zij hun zaak aan een burgerrechter moeten kunnen voorleggen.
Zowel Obama als McCain zegt Guantánamo te willen sluiten als ze president zijn. Maar daarmee zullen de losgeslagen honden niet zomaar teruggefloten zijn. Nog 26.000 gevangenen, schrijft Gourevitch op basis van uitgebreid bronnenonderzoek, wachten in Irak op Amerikaanse toestemming om een advocaat te mogen spreken. Elke dag worden verdachten verhoord aan boord van ten minste zeventien Amerikaanse marineschepen, onbeschermd door Genève en ver buitengaats. Nog verborgener opereren geheime diensten in landen als Egypte, Syrië en Ethiopië, waar Amerika arrestanten dumpt.

Op een van de Abu Ghraib-foto’s is soldaat Lynndie England te zien met een naakte Iraakse gevangene aangelijnd als een hond aan haar voeten. Vernedering was ‘standard operating procedure’, vertelt ze aan Morris en Gourevitch. Een andere Abu Ghraib-veteraan zegt nooit de jongste gevangene te zullen vergeten: tien jaar oud was het joch. Door te dreigen het kind te martelen, moest de vader psychisch worden gebroken.

Amerikaanse militairen verloren door de operating procedures in Abu Ghraib al hun eer, zegt de veteraan in dit onthutsende boek. En dan te bedenken dat militairen als geen ander weten dat inlichtingen verkregen door marteling per definitie onbetrouwbaar zijn.

Bron

Toerist in eigen land; Arjan El Fassad: “Niet iedereen kan stenen gooien”

6 mei 2008

De Volkskrant - Arjan El Fassad, zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader, kwam in 2002 teleurgesteld terug uit Palestina. In een familie kroniek onderzoekt hij zijn wortels en identiteit. “Ik was zes jaar oud, en hoorde dat oom Bassam zwaar gewond was geraakt”

Door Henk Müller

Zoontje Daan pakt een walnoot op in de tuin van Arjan El Fassad. Hij overweegt of hij hem zal weggooien, maar legt hem dan keurig weer weg. Weinig doet hier, in de Utrechtse wijk Kanaleneiland, denken aan de omgeving waar El Fassad grote delen van zijn jeugd doorbracht, Palestina. Of het moeten een paar Arabische voorwerpen in de huiskamer zijn. En de jarendertig-foto’s in de gang, waaronder een van Jeruzalem.


Arjan El Fassad

El Fassad, kind van een Palestijnse vader en Nederlandse moeder, schreef Niet Iedereen kan Stenen Gooien, ook voor zijn zoontje, zegt hij. “Zodat hij later weet wat zijn vader gedaan heeft voor de Palestijnse zaak, en waar zijn wortels liggen”. Schrijven en pleiten kan El Fassad, die tal van conflicthaarden voor zijn werk bezocht, heel goed. Andere vormen van verzet liggen hem minder.

“Arjan, jij kunt geen stenen gooien” zegt Bassam Shaka’a, de oom van Arjen, als die weer een gehavend terug komt van een schermutseling bij een Israëlische controlepost op weg naar het familie huis in Nabloes. Het is 1996 en Arjan El Fassad heeft zich net in Nabloes, de drukste stad op de westoever, gevestigd. Zijn oom Bassam, getrouwd met de zus van El Fassad’s vader, was er burgemeester, tot dat hij bij een bomaanslag in 1980 zijn benen verloor.

“Stenen zijn niet jou sterke punt”, lacht zijn oom. Maar wat moet Arjan dan? Hoe kan hij de Palestijnse zaak helpen?

Hij is 23, net afgestudeerd in Leiden, en beseft ten volle dat hij zowel Nederlander als Palestijn is. Hij voelt zich als een ouder van een tweeling, schrijft hij in Niet iedereen kan stenen gooien. Hij houd zielsveel van allebei, maar een is erg ziek. El Fassad wil helpen, hij zoekt een goede dokter, wil medicijnen, en hoopt maar dat het kind niet permanent gehandicapt is. Hoe kan hij het zieke kind beter maken?

Zijn oom is voor El Fassad sinds jaar en dag een vraagbaak. Als jongetje bezoekt hij met zijn ouders tijdens vakanties zijn familie in Palestina. Hij speelt er met neefjes en nichtjes, en verheugd zich met zijn vader en moeder steeds op het weerzien, op het huis waar zijn familie woont, de tuin en de fruitbomen van oom Bassam. Het is een idyllische wereld, waarin politiek geweld nog ver weg is.

Jaren later ontdekt El Fassad dat de werkelijkheid veel minder idyllisch is als hij dacht. Zo blijkt zijn vader officieel helemaal geen Palestijn meer te zijn. El Fassad: “Na de zesdaagse oorlog van 1967 vind er een Israëlische volkstelling plaats. De Palestijnen die op dat moment niet aanwezig zijn in het land gelden niet langer als wettige bewoners. Negentig duizend Palestijnen, onder wie mijn vader, verliezen zo hun verblijfsrechten. Hij op dat moment geen recht op terugkeer”.

Vader El Fassad werkt sinds 1963 in Vlaardingen bij de ROMI, de Rotterdamse margarine industrie, uitgenodigd door Nederlanders die op hun beurt als adviseur in Nabloes werken bij een aantal raffinaderijen voor olie en zeep in die stad. ROMI heeft een gebrek aan personeel. Door die Israelische maatregel kan vader El Fassad zich niet meer legitiem in Nabloes vestigen. Hij kan alleen als toerist terugkomen. Zonder zekerheid dat hij inderdaad een visum krijgt.

“Ik weet nog precies wanneer ik me echt van mijn Palestijnse achtergrond bewust werd. Dat was 2 Juni 1980. Ik was zes jaar oud, en hoorde dat oom Bassam zwaar gewond was geraakt toen een bom ontplofte bij zijn auto in Nabloes”. Het is wereldnieuws, want in die jaren zijn het de Palestijnse burgemeesters die het verzet aanvoeren tegen de Israëlische heerschappij over de westoever en tegen de bouw van nieuwe joodse nederzettingen in bezet gebied. Oom Bassam geld als belangrijkste burgemeester. Bijna 70% van de Palestijnen beschouwd hem in die jaren als hun leider. In die tijd zijn de Palestijnse autoriteiten en hun Leider Yassir Arafat nog niet aan de macht. Het zou nog 13 jaar duren voordat de PLO met het tekenen van de Oslo-akkoorden Israël erkent. Op zijn beurt erkent Israël daarop de PLO als de vertegenwoordiger van de Palestijnen. De lokale Palestijnse leiders hebben plaats gemaakt voor beroepsbestuurders met een fijne neus voor het eigen belang zoals El Fassad later zal ontdekken.

“Ik hoorde het nieuws aan de keukentafel. Hoewel ik nog maar klein was, kan ik me goed herinneren het nieuws harder zette. Ze belde het ANP om te vragen of het waar was. ’s Avonds keken we naar het journaal. Ik zag oom Bassam, hij leefde nog. Hij zei: “Ze hebben mijn benen afgerukt, maar dat betekend alleen maar dat ik dichter bij mijn land ben. Ik heb mijn hart, mijn verstand en een rechtvaardig doel om voor te strijden”. Voor de strijd had hij geen benen nodig”.

Ook op andere burgemeesters worden aanslagen gepleegd. De daders blijken later radicale joodse kolonisten te zijn, met nauwe banden met het leger. De verenigde naties veroordelen de aanslag en de toenmalige Franse president Giscard d’Estaing en de Amerikaanse president Jimmy Carter nodigen Bassam Shaka’a uit om in hun landen geopereerd te worden. Na zijn herstel keert hij terug naar Nabloes, met twee kunstbenen en een aangepaste auto.

Als Arjan op de middelbare school zit begint het tot hem door te dringen dat de Palestijnse werkelijkheid een andere is dan de Nederlandse. Bijna 15 is hij, bij het begin van de Intifada in 1987: de Palestijnse volksopstand tegen de bezetting van de Westoever en Gaza. Op de TV in zijn veilige huiskamer in Vlaardingen ziet hij dat zijn leeftijdsgenoten, zijn neefjes en nichtjes, dagelijks de straat opgaan om te demonstreren. Hij voelt voor het eerst het onrecht waarmee zijn familie te kampen heeft. Het knaagt aan hem, hij moet wat doen.

De versie van het Palestijns-Israëlisch conflict die hij op school en op straat in Nederland hoort, klopt helemaal niet met wat hij tijdens zijn bezoeken aan Nabloes hoort. Zijn oom die is opgeblazen, zijn neven die gevangen zijn gezet en zijn gemarteld door de Israëli’s. Zijn opa Radi die bij een bombardement met raketten en napalm in 1968 om het leven komt als Israëlische vliegtuigen stellingen van Palestijnen bestoken. Of de talloze vlucht verhalen van familieleden en vrienden die hun dorpen en steden in 1948 moesten verlaten en nu – ontheemd – in vluchtelingenkampen of elders wonen.

El Fassad: “In totaal zijn in de aanloop tot de stichting van de staat Israël op 14 mei meer dan 750.000 Palestijnen ontheemd, verdreven of gevlucht. Ik wil dat zij niet vergeten worden”.

Een half jaar na het begfin van de intifada is hij weer in Nabloes. Op familiebezoek. Stenengooiers, avondklok, traangas, bezorgde ouders, stakingen en gewonden symboliseren de volksopstand tegen de bezetting. El Fassad wil zijn steentje bijdragen. Vanaf die tijd laat het conflict hem niet meer los. Hij gaat helpen het op te lossen.

Op school wil hij geen piloot of brandweerman worden, zoals andere jongens, maar journalist of lieft ambassadeur. Nederlands ambassadeur in Palestina, of Palestijns ambassadeur in Nederland: het is hem om het even. Hij wil zich voor de Palestijnse zaak inzetten en meebouwen aan een democratisch land. Dus besluit hij na zijn middelbare school politieke wetenschappen te gaan studeren, om daarna in Palestina te gaan werken. Vanaf 1996 woont hij met enkele onderbrekingen meer dan jaar in Palestijns gebied. Op zoek naar genezing voor het zieke kind.

Het wordt een deceptie. De Palestijnse autoriteit zit inmiddels stevig in het zadel. El Fassad zet zich in voor burgerrechten, maar Palestijnen onderdrukken Palestijnen, zo blijkt. Arafat is aan de macht, en elke kritiek verboden. “Taboe zijn Arafat, zijn beleid, zijn familie, zijn financiën, zijn naaste adviseurs en ga zo maar door. Ik deed in 1997 onderzoek naar corruptie. 40% van de begroting, 326 miljoen, was weg, 35% ging naar de veiligheidsdiensten, 12% naar Arafat’s bureau en 9% naar de bevolking.

In 2002 houd El Fassad het voor gezien, hij heeft een burn-out. Zijn droom bij te kunnen dragen aan een democratische staat is voorbij. Opgebrand vertrekt hij naar Nederland. Hij wil afstand nemen en een andere vorm vinden om bij te dragen aan de Palestijnse zaak. Dat doet hij door de kroniek van zijn familie te schrijven, tevens het verslag van zijn zoektocht naar zijn wortels en zijn identiteit.

In Niet iedereen kan stenen gooien wil hij de lezers aan de hand meenemen, zegt hij. “En met hen door het conflict wandelen vanuit Palestijns perspectief. Bij onrecht kun je niet neutraal zijn”. Misschien voelde hij dat nergens zo sterk als bij het familiegraf in Nabloes. “Daar stonden we, mijn oom, mijn vader en ik. In een stad waar onze voorvaderen zijn geboren en gestorven. Mijn vader en ik met een toeristenvisum. Als ik als Joodse jongen was geboren, zonder enige familieband met Israël of Palestina, had ik simpelweg het Israëlisch staatsburgerschap kunnen krijgen. Dan had ik me op elke plek in Israël of de bezette gebieden kunnen vestigen. Maar wij, wij zijn toerist in eigen land”.